Tweede Kamer pleegt ordinaire machtsgreep

Kamerleden plegen geen ‘zetelroof’ als ze, vrijwillig of niet, een eigen fractie beginnen. De suggestie om afsplitsers geld en spreektijd te ontnemen, is dan ook bedenkelijk.

Wie wordt gekozen in het parlement is een volksvertegenwoordiger. In de Nederlandse politiek beschouwen partijen ‘hun’ Kamerleden echter niet als volksvertegenwoordigers, maar als partij-afgevaardigden. Dat misverstand wordt breed omarmd en ondermijnt de vertegenwoordigende democratie.

De Grondwet is duidelijk: een Kamerlid zit ‘zonder last’ in de Kamer en kan dus niet worden verplicht standpunten uit te dragen die zijn partij of zijn fractie hem opdringt. Kamerleden zijn, eenmaal gekozen, ook allemaal gelijkberechtigd. Dat is maar goed ook, anders zou de stem van de ene kiezer zwaarder wegen dan die van een ander.

In de praktijk bestaat in de Tweede Kamer echter een fractiediscipline waaraan een Kamerlid zich zelden kan onttrekken. Wie zich er niet aan houdt, wordt bijvoorbeeld bestraft met inperking van zijn portefeuille of wordt geschrapt van de kandidatenlijst voor de volgende verkiezingen.

Kamerleden stemmen dus wekelijks ‘met last’ terwijl de Grondwet dat verbiedt. En nu wil, blijkens een rapport van een parlementaire werkgroep, een ruime Kamermeerderheid ook de gelijkheid van parlementariërs opheffen.

Die werkgroep werd eind vorig jaar opgericht, onder meer in reactie op het afsplitsen van de twee PvdA-Kamerleden die nadien de beweging DENK bedachten. Maar ook eerdere afsplitsingen (van de PVV, de VVD en 50Plus) zorgden voor ergernis in de Kamer, vooral bij de getroffen fracties.

Lees deze column van Syp Wynia verder op Elsevier

Amerikaanse wet is regelrechte aanval op staatssoevereiniteit

Een nieuwe wet in de Verenigde Staten stelt slachtoffers van terroristische aanslagen op Amerikaans grondgebied of nabestaanden in staat een zaak te beginnen tegen staten die verantwoordelijkheid dragen voor die aanslag. Op 17 mei nam de Amerikaanse senaat unaniem de Justice Against Sponsors of Terrorism Act (JASTA) aan.

Het is een initatief van de Democratische senator Charles Schumer uit New York en de Republikein John Cornyn uit Texas. Ze hopen zo nabestaanden van de aanslagen op 11 september 2001 te helpen.

Met de nieuwe wet wordt het volgende scenario denkbaar: een groep Amerikaanse nabestaanden van de aanslag op het zorgcentrum in San Bernardino (14 doden) begint een rechtszaak tegen de Nederlandse staat omdat geheime dienst AIVD misschien inlichtingen had over de daders en die niet heeft gedeeld met Amerikaanse diensten

De nabestaanden vinden dat Nederland daarmee een fout heeft gemaakt en dat zonder die fout het drama misschien niet was gebeurd. Zij stellen de staat Nederland aansprakelijk voor zowel de materiële als de immateriële schade en eisen miljoenen, misschien wel miljarden. Het is tenslotte Amerika. Nederland moet zich voor een Amerikaanse federale rechtbank verantwoorden. En uitleggen welke inlichtingen de AIVD op welk moment had en waarom die niet zijn gedeeld met de Amerikanen.

Al jaren proberen die compensatie te krijgen voor hun verlies. Hun belangrijkste doelwit is Saoedi-Arabië. Direct na 9/11 werd gespeculeerd over de betrokkenheid van dit land: het merendeel van de vliegtuigkapers kwam ervandaan. Ook 28 pagina’s in een rapport van het Amerikaanse congres zouden die betrokkenheid aantonen. Die pagina’s zijn nooit openbaar gemaakt en hebben nu een mythische status.

Het aanklagen van staten bij een civiele rechter voor daden in eigen land, kan nu niet. Daarom kwamen de twee senatoren met JASTA. ‘In plaats van een ad-hocwet te maken voor Saoedi-Arabië, kiezen zij voor een algemene wet’, zegt Geert van Calster, hoogleraar internationaal recht aan de universiteit Leuven. ‘En dat is precies het probleem. Die wet trekt de Amerikaanse rechtsorde over de wereld en ondermijnt daarmee de immuniteit van landen.’

Lees verder op de Volkskrant

Rutte en het Oekraïne-referendum – Waarom schaamt hij zich voor ons land?

Hoe hard de kritiek in de Tweede Kamer soms ook is, premier Rutte laat dit meestal gelaten van zich afglijden. Maar maandag zag ik ineens een heel andere Mark Rutte: tijdens een bijeenkomst met politici uit EU-landen was daar plots een premier in paniek: “I am totally against referenda. And I am totally, totally, totally against referenda on multilateral agreements, because it makes no sense, as we have seen with the Dutch referendum.” De premier keerde zich tegen het recht van Nederland om een referendum te houden over een Europees onderwerp en toonde onverholen zijn afkeer van de opvattingen van de Nederlanders – die hij zelfs ‘desastreus’ noemde. Het is opmerkelijk, een politieke leider die zo klaagt over de bevolking.

Politiek is vaak niet zo moeilijk, maar wordt veelal moeilijk gemaakt. Vooral wanneer de bevolking het ene wil, maar de bestuurders iets heel anders. Niets is voor een premier zo gemakkelijk als een referendum, omdat er altijd een ‘ja’ of een ‘nee’ uit komt. Voor het referendum over Oekraïne is dat niet anders. Alle EU-landen sloten een verdrag en moeten dat goedkeuren. Wij deden dat niet en daarmee is het verdrag van tafel. De premier is nu bang dat andere landen gewoon door zullen gaan, maar dat kan niet (want het verdrag is van tafel). Rutte wil daarom met al die landen nieuwe onderhandelingen gaan voeren, maar dat hoeft helemaal niet (want het verdrag is van tafel). Hij vindt ook dat die gesprekken nog lang niet kunnen beginnen, vanwege het referendum in Groot-Brittannië, maar dat is helemaal onzin.

Lees deze column van Ronald van Raak verder op The Post Online

Zo typisch Brits is de Brexit niet

Waarom willen zoveel Britten (en anderen) de EU uit? Omdat de EU is veranderd. De Britten houden ons een spiegel voor, meent econoom Adriaan Schout.

Zijn de Britten gek geworden? Het lijkt onbestaanbaar dat het Verenigd Koninkrijk (VK) wil afhaken van de grote Europese markt met een half miljard ontwikkelde consumenten. Hun EU-debat is even verward als een gemiddelde Monty Pythonaflevering, met toneelspelers die overlopen van Britse excentriciteit en onderwerpen die absurdistisch aan elkaar geregen zijn.

Karikaturen als Boris Johnson spelen met het uiteenvallen van hun land, omdat Schotland Europees wil blijven, met opleving van conflicten in Noord-Ierland, en met hun toegang tot wereldmarkten terwijl ze onzin spuien over kromme bananen en het EU-budget.

Wereldleiders, experts, belangengroepen en journalisten spiegelen de Britten doemscenario’s voor: Rusland en China zullen de geopolitieke winnaars zijn, de EU blijft verdeeld achter, de Verenigde Staten wenden zich af van de EU en de EU wordt protectionistischer. Kennelijk houden de Britten wel van een gokje met de wereldgeschiedenis – en met hun eigen voortbestaan als land.

Maar laten wij, de rest van de EU, toch wat doen om de Britten te begrijpen. Het is te verleidelijk om hun referendum af te doen als het volgende staaltje Britse absurditeit dat verder niets met ons te maken heeft. Als het om EU-beleid gaat, waren de Britten vaak zo gek nog niet. Laten we even proberen open te staan voor hun Eurowrevel om erger voor onszelf als Nederlanders en voor de hele EU te voorkomen. Daarbij: binnen of buiten de EU, we zullen met de Britten door moeten.

Begrip is wel het laatste waar de Britten op kunnen rekenen. Bij een leave-uitkomst staat het VK een afstraffing te wachten. Een stap terug van Europese eenwording past niet in de denkkaders van wereldleiders. Commissiepresident Juncker heeft gedreigd de westerburen als deserteurs te behandelen. De rest van de EU is doodsbang voor vergelijkbare democratische exit-discussies in andere lidstaten.

President Obama hield de Britten voor dat ze achteraan moeten aansluiten bij handelsafspraken. De VS maken die afspraken liever met 500 miljoen consumenten in de EU dan met de 65 miljoen Britten. De VS willen een sterk Europees blok in plaats van dat verdeelde Europa.

Dreigende taal voorafgaand aan het referendum is prima. Vertrek moet, ook in het Nederlandse en het Europese belang, ontmoedigd worden. Maar na Brexit of Bremain op 23 juni dient Europa’s woede plaats te maken voor zakelijkheid en begrip.

Het eerste wat ons te doen staat is erkennen dat referenda over de EU tot het democratische landschap zijn gaan behoren. Meestal zijn de uitkomsten een rem op Europese integratie. Nederland had in april het Oekraïnereferendum waar een ’tegen’ uitkwam, de Denen kozen in hun volksraadpleging in december tegen verdergaande integratie van politiediensten.

Europese integratie heeft draagvlak nodig en referenda zijn, hoe omstreden ook, één onderdeel in het bepalen van de grenzen van de publieke steun.

Lees verder op Trouw

Teloorgang van de politieke partij is onomkeerbaar

Voor de politieke partij heeft het laatste uur geslagen.

Diederik Samsom bracht het tijdens de 1-meiviering een beetje terloops. We moeten de progressieve beweging laten groeien, zei hij, door bondgenootschappen te sluiten en niet amechtig naar nieuwe leden te zoeken. ‘Dat is niet meer van deze tijd.’

Ledenpartijen zijn iets van vroeger – benieuwd wat Hans Spekman (‘We moeten naar 100 duizend leden’) daar van vindt. Femke Halsema formuleerde het in haar onthechte gesteldheid onlangs nog wat scherper. ‘De politieke partij is een oninteressant organisatorisch verband. We houden ze zo lang het werkt. Maar geef er vooral geen sentimentele draai aan.’

Ik heb aardig wat partijbijeenkomsten bezocht. De VVD bij Van Nelle in Rotterdam, GroenLinks in de Rijtuigloods in Amersfoort, het CDA in de Fabrique in Maarssen. Allemaal voormalige industriële complexen die een tweede leven kregen als evenementengebouw. Daar zit symboliek in. Willen partijen overleven, dan moeten ze zich heruitvinden.

Haast is geboden: leden lopen weg, de partijkas is leeg, kwaliteit neemt af, het wordt moeilijker kandidaten te vinden voor kieslijsten en functies. Na de zomer, als de campagne op stoom komt, zal het weer even lijken of het partijenstelsel nog werkt. Bedrieglijke schijn. Over tien jaar, als de dienst wordt uitgemaakt door een generatie waarvoor tv een onhandig medium uit de oertijd is, is het ook met die lijsttrekkersdebatten – laatste strohalm van de partijen oude stijl – gedaan.

Iets anders: deze week werd bekend dat Kamerlid Otwin van Dijk (PvdA) burgemeester van Oude IJsselstreek wordt. Vast en zeker een prima man, maar toch: waarom zou een Kamerlid de ideale kandidaat zijn om een gemeente te besturen? Of zie je hier de klassieke partij als banenmachine functioneren?

Over dat alles spreek ik op een regenachtige dinsdagochtend met Geerten Waling (foto). We zitten bij Lemkov, achter het station van Leiden, op het terras. Die teloorgang van partijen, zegt Waling, is onomkeerbaar. ‘Het schaakbord blijft hetzelfde, maar de stukken veranderen. Waren dat vroeger de partijen, nu zijn het thema’s en personen.’

De inspiratie van Waling, als politiek historicus verbonden aan de Universiteit Leiden, voor hoe het verder moet met ons partijenstelsel, komt uit twee bronnen. Enerzijds zijn proefschrift – 1848, Clubkoorts en revolutie – waarvan onlangs een handelseditie verscheen. Daarin beschrijft hij hoe in Berlijn en Parijs clubs ontstonden waar burgers elkaar met opvattingen bestookten. Die clubs waren een bundeling van het verzet tegen de overheid; men begon de regering te controleren. Dergelijke clubs, vindt hij, zijn een alternatief voor partijen. Als voorbeeld noemt hij het Forum voor Democratie van Thierry Baudet.

Tweede inspiratie is een recent Leids onderzoek naar Kamervragen, moties en mediaoptredens van politici. Voornaamste conclusie: Kamerleden opereren steeds individueler. Ze stellen alles in het werk om te scoren, door te twitteren, maar ook met moties, vragen (45 duizend stuks in 20 jaar) en initiatiefvoorstellen. Fractiediscipline neemt af, zetelroof groeit – 60 gevallen sinds 1945, eenderde daarvan dateert van de laatste tien jaar. Partijen worden een voertuig voor persoonlijke ambitie. Tel dat op en je ziet Bram Moszkowicz aan de horizon verschijnen, Peter R. de Vries, Sylvana Simons ook. En, in een ander register, Ahmed Aboutaleb.

Lees dit artikel van Ariejan Korteweg verder op de Volkskrant

Hilarisch: 31 overtuigende argumenten voor de EU

1    Een verenigd Europa zorgt voor vrede en welvaart.

2    De Europese Unie levert ons groei en banen.

3    We hebben de Europese Unie hard nodig voor onze veiligheid.

4    Samenwerken in Europa is de enige manier om een sterk front te vormen tegen grootmachten Amerika en China.

5    Zonder de Europese Unie zou president Poetin over ons heen walsen.

6    Europa is de enige weg, we zien toch dat het werkt?

7    Een tegenstem bij het referendum leidt onvermijdelijk tot een continentale crisis.

8    Zolang de Europese politici en ambtenaren vergaderen, voeren ze in ieder geval geen oorlog.

9    Bij een nee-stem zetten we onszelf in Europa buitenspel.

10    Een exit uit de EU zal grote economische repercussies hebben.

11    De interne markt heeft ons zoveel opgeleverd, maar liefst een maandsalaris.

12    Als u straks tegen stemt, zwemmen er straks de krokodillen in de Theems.

13    Bij een nee gaat het licht uit.

14    De kans op een kometenregen op ons land neemt aanzienlijk toe als de EU verlaten (foto).

15    Een stem tegen de EU, is trekken aan de vinger aan de lange arm van Erdogan.

16    De euro heeft ons zoveel opgeleverd, maar liefst een weeksalaris.

Lees deze column van Martin Visser verder op DFT

Rente is spelbreker voor iedereen

Martin Boerman woont in Geldrop. Hij haakt in op het artikel van Gerrit Wolbers ‘Werkenden betalen te weinig pensioenpremie’ (ED 9 juni) waarin volgens hem verkeerde conclusies worden getrokken.

Zowel de huidige als de toekomstige gepensioneerde spaart te weinig. Vergeleken met jongeren zijn ouderen bij de huidige lage rentes nog goed af. De rekening wordt doorgeschoven naar de toekomst in de hoop op betere tijden. Gerrit Wolbers trekt in zijn opinieverhaal ‘Werkenden betalen te weinig pensioenpremie’ (ED 9 juni) verkeerde conclusies, waarschijnlijk op basis van sentimenten die al enkele jaren bij een grote groep gepensioneerden leven.

Pensioen is in wezen simpel. Je bepaalt welk vermogen iemand nodig heeft om een aantal jaren van te kunnen leven, rekening houdend met aanvullende inkomsten zoals AOW. Stel dat iemand gemiddeld tien jaar na zijn pensionering leeft en elk jaar 20.000 euro pensioen nodig heeft, dan moet je 200.000 euro bij elkaar sparen. Gelukkig krijg je rente als je spaart; je hoeft dus niet, als je veertig jaar werkt, elk jaar 5.000 euro apart te leggen om die 200.000 euro te bereiken. Bij jaarlijks gemiddeld 4 procent rente heb je al snel veel minder dan de helft van dat bedrag aan inleg nodig. Belangrijke kanttekening daarbij is dat je in dit versimpelde voorbeeld niet slechts veertig jaar rente incalculeert om dat totaalbedrag aan pensioenvermogen op te bouwen, maar vijftig jaar. In de jaren na je pensionering loopt de rente nog gewoon door. De opbouw van je pensioen stopt dus niet na je pensionering.

Het voorgaande is in het kort wat pensioenfondsen doen: ze combineren verwachtingen over toekomstige geldbehoeften met verwachtingen over gemiddelde leeftijd na pensionering en verwachtingen over toekomstige rentestanden en bepalen zo welk bedrag aan pensioenpremie gespaard moet worden om dat vermogen te bereiken.

Nu mogen pensioenfondsen al geruime tijd niet meer met een rente in de orde van grootte van 4 procent rekenen. Er is dus eigenlijk van iedereen veel meer geld nodig om dat benodigde pensioenvermogen te halen. Dat geldt dus ook voor degenen die nu gepensioneerd zijn: ook voor hun pensioen is de rente voor het laatste stuk opbouw van hun pensioenvermogen er ineens niet meer. Ook hun spaarpot heeft dus een tekort, al is het tekort kleiner naarmate je ouder bent.

Wie al veertig jaar gespaard heeft met 4 procent rente en dan nog tien jaar moet sparen met 1 procent rente – in zo’n situatie verkeren de huidige gepensioneerden – is dan nog spekkoper vergeleken met degene van wie verwacht wordt dat hij in de vijftig jaar die hij nog moet sparen alleen maar mag uitgaan van 1 procent rente – en in die situatie verkeren jongeren. Zij moeten heel veel meer geld opzij leggen dan de huidige gepensioneerden in het verleden hebben gedaan om hetzelfde pensioenvermogen te bereiken. Maar als de pensioenfondsen de premie zo enorm zouden verhogen, zou bij een gelijkblijvend salaris te weinig geld overblijven om in het hier en nu van te leven. Bij dit dilemma wordt de rekening doorgeschoven naar de toekomst, in de (ijdele?) hoop dat betere tijden ooit nog wel eens zullen terugkeren; of ervan uitgaand dat wie dan leeft, dan zorgt.

Lees verder op het ED

De hoogleraar die uit de EU wil

Alan Sked is hoogleraar aan de gerenommeerde London School of Economics én voorstander van een Brexit. Daarmee vormt hij een een uitzondering op zijn universiteit, maar dat deert hem niet.

“Jean Claude Juncker is de kapitein van de Titanic. Hij ziet de grote ijsberg voor zich liggen en toch zegt hij: volle kracht vooruit. Dat is wat er op dit moment gebeurt met de Europese Unie.”

Om metaforen zit Alan Sked (68) niet verlegen om zijn afkeer van de Europese Unie kracht bij te zetten. Hij is als hoogleraar internationale geschiedenis verbonden aan de gerenommeerde London School of Economics (LSE). Maar in Groot-Brittannië is hij vooral bekend als de oprichter van de UK Independence Party (Ukip) begin jaren negentig.

Sked is een van de weinige academici in het Vertrek-kamp. Op de LSE wordt hij omringd door collega’s die pleiten voor een langer verblijf in de EU. Maar dat deert hem niet, hij is wel vaker voor gek versleten. “Iedereen mag van me denken wat-ie wil, maar het anti-EU-gevoel is breed gedragen in onze samenleving. En niet alleen hier, maar in heel Europa. In Frankrijk, Italië en Nederland. We zijn niet alleen.”

Het cruciale probleem zit ‘m voor Sked in de veranderingen die de EU de afgelopen decennia heeft doorgemaakt. Brussel koerst af op alsmaar meer politieke integratie, een koers die volgens hem onomkeerbaar is.

“Premier Cameron wil ons deze hele campagne doen geloven dat we de EU zo hard nodig hebben om handel met ze te drijven. Maar als het alleen om handel zou gaan, waarom is er dan een Europees Parlement, een Europese vlag, een Europees volkslied en wordt er zelfs over een Europees leger gesproken? Het gaat uiteindelijk om de creatie van de Verenigde Staten van Europa. Dat wil niemand hier. De daadwerkelijke prijs die we voor het EU-lidmaatschap moeten betalen, is het einde van onze onafhankelijkheid.”

Lees verder op Trouw