Opluchting over Schots ‘nee’ is volkomen voorbarig

De zege van het No-kamp bij het Schotse referendum is niet meer dan een Pyrrus-overwinning, en levert nauwe­lijks minder complica­ties op dan een ‘yes’ zou hebben gedaan, schrijft Thomas von der Dunk.

De opluchting in de City, in Westminster en in Brussel is volkomen voorbarig, en getuigt van een tamelijk infantiel gebrek aan elementair politiek inzicht, veelzeggend voor het kortetermijndenken dat domineert. De zege van het No-kamp is niet meer dan een Pyrrus-overwinning, en levert nauwelijks minder complicaties op dan een ‘yes’ zou hebben gedaan.

Als na vierhonderd jaar politiek samenzijn (vierhonderd, niet driehonderd jaar: de Unie mag dan officieel uit 1707 dateren, sinds het Schotse koningshuis der Stuarts na het uitsterven van de Engelse Tudors in 1603 Engeland overnam en vervolgens naar Londen verkaste, delen Schotten en Engelsen dezelfde monarch en regering) bijna de helft van de Schotten voor afscheiding stemt, blijkt de basis van het Verenigd Koninkrijk zeer wankel.

Eens temeer omdat die kleine meerderheid voor handhaving van de Unie vermoedelijk geflatteerd is. De nee-campagne werd gedomineerd door bangmakerij in combinatie met enkele uit angst voor een ‘ja’ op het laatste moment gedane, onverwachts buitensporig royale beloften om de Schotten maar binnenboord te houden, die Cameron meteen op kritiek uit zijn Engelse achterban kwam te staan.

Daarnaast deed uiteraard ook Barroso weer eens een voorspelbaar stupide dreigingsduit in het zakje, door te verkondigen dat een zelfstandig Schotland natuurlijk niet op het EU-lidmaatschap kon rekenen.

Ach ja: ziet u het al voor zich? Wel toetredingsonderhandelingen met een corrupte maffiastaat als Albanië, en niet met het keurige Schotland? Als daarvoor door bijvoorbeeld een Spaans veto onoverkomelijke barrières zouden zijn opgeworpen, had dat het definitieve morele failliet van de EU als gemeenschap van democratische landen betekend.

Lees deze column van Thomas van der Dunk verder op de Volkskrant

Democratisch ‘hoogland’: het Schotse referendum

Krijgen de Schotten een eigen, onafhankelijke staat of blijven zij deel van het Verenigd Koninkrijk? Over ruim drie weken mogen alle kiesgerechtigde burgers in Schotland zich hierover uitspreken. Wat de uitkomst ook zal zijn, de belangstelling onder de kiezers voor de vraag ‘onafhankelijk of niet?’ is enorm. Dat èn het feit dat het de burgers zijn die de vraag mogen beantwoorden, is een hoog democratisch goed. In de meeste EU-lidstaten krijgen de burgers de kans niet om zich uit te spreken over de vraag of zij wel bij de EU willen blijven.

Volgens een opiniepeiling zouden de Schotten met hun portemonnee gaan stemmen. Wanneer zijn we financieel beter af: zelfstandig of als onderdeel van het Verenigd Koninkrijk? Voor- en tegenstanders claimen dat alleen hún keuze meer welvaart oplevert. Beide claims zijn niet hard te maken. Wat de voorstanders van eenheid ook beweren, uittreding zal heus geen rampspoed brengen. Singapore werd ook bepaald niet in armoede gedompeld toen het zich in 1965 van Maleisië afscheidde. Maar de claim van voorstanders van afscheiding dat Schotland rijker zal worden als het de inkomsten uit de Noordzeeolie zelf kan behouden, is even wankel. Die olie raakt ooit op en dan is het de vraag of Schotland concurrerend is. Dat Schotten nu verhoudingsgewijs vaker dan andere Britten steun trekken, duidt daar niet direct op.

Niet economische maar emotionele argumenten zullen de doorslag geven. Daar is niets mis mee. Zo’n twintig jaar geleden zag toenmalig PvdA-fractieleider Wöltgens Nederland als een zeventiende Duitse deelstaat. Een voorstel ons land formeel tot Duitse deelstaat te maken zou, zelfs als het ons aantoonbaar rijker zou maken, in een referendum kansloos zijn. Bepalend is immers dat Nederlanders vanwege hun eigen taal, geschiedenis en cultuur geen Duitsers willen zijn. Zelfs een handeldrijvend volk als het onze zal zijn zelfstandigheid niet voor een paar zilverlingen verkopen.

Lees deze column door Patrick van Schie verder op Trouw

Niet-stemmen is óók stemmen

Ten onrechte klinkt meewarigheid over kiezers die gisteren de stembus hebben gemeden. Ben Burger poneert een stelling: ze hebben ervoor gekózen thuis te blijven.

De thuisblijvers krijgen het zwaar te verduren. Dat is te begrijpen: zij hebben gisteren het feestje van de Europese democratie verstoord. Maar zijn de verwijten terecht?

Er zijn drie hypotheses die je de afgelopen weken steeds zag over niet-stemmen bij de Europese verkiezingen: Het electoraat is ongeïnteresseerd. Raoul du Pré schreef dat in de Volkskrant en Caroline de Gruyter in NRC. Het electoraat snapt het niet. Dat zeiden de werkgevers van Bernard Wientjes, econoom Coen Teulings en oud-minister Wijers. Het electoraat staat met de rug naar de toekomst. Aldus Bert Wagendorp in de Volkskrant en Maarten Schinkel in NRC, om twee stemmen te noemen.

De commentaarschrijver van NRC wist het in maart al: de keuze is vóór of tégen Europa. ‘Een beetje Europa is niet mogelijk.’ Sceptisch zijn is dus: tegen. En dat betekent: verkeerde vrienden. Voordeel van deze visie: we mogen de wegblijvers negeren. Nadeel: ze spoort maar heel beperkt met de feiten. De kiezer die thuisbleef, heeft mogelijk toch een rationeel motief, alleen: het is onbegrepen door degenen die hem onbegrip verwijten.

Stelling: een deel van het electoraat heeft juist rationeel gehandeld door weg te blijven. Beeld je in: de redelijke, welwillende euroscepticus. Dus: voor de vriendschap tussen de volkeren, voor de vrede, voor de samenwerking. Maar het 3-procentbeleid voor begrotings-tekort en de bezuinigingen overtuigen hem niet. Hij deelt de opvatting van Nobelprijswinnaars Stiglitz en Krugman en van de Nederlandse econoom Van Duijn, die zeggen dat Europa zichzelf in de dubbele dip heeft bezuinigd. Hij ziet de absurde werkloosheidscijfers in de zuidelijke landen en heeft het gevoel dat dit riskant is: té riskant. En hij vertrouwt de soevereiniteitsoverdracht van de afgelopen jaren niet, omdat de Europese politiek ondoordringbaar lijkt voor kiezersinvloed. Wat moest deze kiezer stemmen? Inderdaad. Dus bleef hij weg.

Tot zover de individuele rationaliteit: de burger moet kiezen uit de keuzes die hem worden voorgelegd. Maar er valt ook een democratische rationaliteit te construeren. Wie om Europa geeft, maar meent dat de ingeslagen weg de verkeerde is, moet een manier vinden die nu juist die boodschap overbrengt. Stemmen zou dan averechts uitpakken. Dat legitimeert de gang van zaken. Bij hoge opkomst zouden de regeringsleiders in Brussel tevreden bijeenkomen en zeggen: we mogen door.

Wie écht de macht in Europa wil beïnvloeden, de Raad van regeringsleiders dus, moet creatief zijn. Is wegblijven dan de enige manier geweest?

Hypothese: de kiezers hebben gisteren precies gezegd wat ze wilden zeggen. Thuisblijven was niet dom, maar een rationeel genomen besluit. De boodschap is precies zoals die moest zijn. Bij de opkomstcijfers voor Europa in Nederland valt het jaar 2005 op: die van het referendum over een Europese ‘grondwet’. Dat was de keer dat de inzet volstrekt duidelijk was. Toen kwam de meerderheid van de kiezers wel, 62 procent zelfs. Toeval?

Lees verder op het NRC

Nederland betaalt een te hoge prijs voor Europa

Als het serieus wordt moet je liegen. Was getekend Jean-Claude Juncker, de premier van Luxemburg die in het voorjaar van 2011 ontkende dat de Europese Unie steun aan Griekenland voorbereidde.

Nu is hij kandidaat-voorzitter voor de Europese Commissie. De euro is een serieuze zaak. Vandaar dat geen enkele Nederlandse regering de waarheid heeft verteld over de ingrijpende gevolgen van de deze munt. Vandaar dat Nederlanders nooit mochten zeggen of zij meer soevereiniteit willen afstaan dan was afgesproken toen Nederland de gulden opgaf.

Op één uitzondering na. In 2005 mochten wij in een referendum stemmen over een Europese grondwet. ‘Nee’, zei een duidelijke meerderheid. De grote politieke partijen schrokken, concludeerden dat Europa zich slecht leende voor volksraadplegingen en hebben sindsdien op Europees niveau ingestemd met een overdracht van bevoegdheden die verder gaat dan wat burgers en parlement eigenlijk goed vonden.

Elke nieuwe regering duwt Nederland een stukje verder naar een Europese eenheidsstaat. Met Europese steunfondsen voor schuldenlanden. Met een Europese bankenunie die de voorbode is van een Europese begrotingsunie. Voorstanders van Europese eenwording rechtvaardigen deze soevereiniteitsoverdracht met wat Nederland in ruil hiervoor terugkrijgt: voorspoed, vrijheid en vrede.

Was het maar waar. De Europese Unie kost welvaart en veroorzaakt scheuren in de samenleving, vooral in zuidelijke landen. Dat komt vooral doordat Europese eenheidsbouwers in 1999 een fatale vergissing begingen met de invoering van de euro.

Een gemeenschappelijke munt in landen die weinig met elkaar gemeen hebben, saboteert het coördinatiemechanisme in een markteconomie. De prijs van geld, ofwel de rente, vertelt hoeveel mensen moeten sparen voor hun oude dag. Hij vertelt ondernemers of investeren lucratief is. Wie met de rente gaat knoeien, vernielt het natuurlijke aanpassingsvermogen in een markteconomie. De schuldencrisis in perifere landen van de eurozone illustreert hoe desastreus dat geknoei uitpakt.

Om een herhaling van financiële crises te voorkomen heeft de Europese Unie besloten om beleid te centraliseren. Wie morrelt aan het coördinatiemechanisme in een markteconomie slaat onherroepelijk de weg in naar een planeconomie. In de toekomstige Europese eenheidsstaat zal steeds minder ruimte overblijven voor marktwerking.

Zo legt de euro de bijl aan de wortel van onze economische orde en betaalt Nederland de hoofdprijs voor een Europese droom. Het is pijnlijk om te zien hoe uitgerekend een liberale premier onze vrijheid en democratie opoffert voor Europa.

Lees deze column van Bruno de Haas verder op de Volkskrant

Help mee met een referendum!

Dinsdag 8 april 2014 is de ‘Wet Raadgevend Referendum’ door de Eerste Kamer bekrachtigd en deze wet stelt ons vanaf ongeveer 1 juli 2015 (wanneer de wet naar verwachting in werking treedt) in staat een wet die door de Eerste Kamer is aangenomen, maar nog niet door de koning is ondertekend, door middel van een referendum ter goedkeuring eerst voor te leggen aan de bevolking.

Zodra een voor ons doel geschikte wet door het parlement is aangenomen, een wet die dus ook referendabel is, zullen wij als Burgercomité-EU alles op alles zetten om zo’n referendum af te dwingen.

Makkelijk zal dit niet zijn. Hiervoor zullen we namelijk binnen acht weken maar liefst 300.000 (papieren!) handtekeningen moeten verzamelen! Daar moet dus een flinke organisatie voor klaar staan en eventueel benodigde fondsen.

Wilt u helpen, iets doen, hoe klein ook? Meldt u dan aan via onze pagina Vrijwilligers.

Alvast bedankt!
Burgercomité-EU